Op weg met Choco en Hector Spanje Spanje, Lucillo   17:07

Reisverslag

Helene, 17 januari 2012
Spanje Spanje , Lucillo 10°


Drie maal is scheepsrecht in Lucillo

Vrijdag 2 september 2011

We reizen acht en twintig uur van Bretagne naar Lucillo. De temperatuur wordt steeds hoger naarmate we meer zuidelijker komen, het landschap zien we veranderen van sappig groen naar uitgedroogd geel. Moe en dankbaar omwille van het heelhuids arriveren, laden we de jongens uit. Ze hebben van de reis blijkbaar niets geleden, heel rustig komen ze de trailer uit gestapt. In de wei worden ze ook heel rustig door hun kameraden opgenomen, of ze nooit zijn weggeweest.
Onder onze kameraden daar en tegen, treffen we een en al onrust aan. Iedereen is in het Hotel, zoals de gezamenlijke huiskamer wordt genoemd, druk bezig met het passen van tentzijlen en uitproberen van matrasjes. Zadeltassen worden volgestouwd met materiaal dat nog overal verspreidt op de grond ligt. We zijn verheugd iedereen bezig te zien met de voorbereidingen voor hun eerste echte vakantie sinds acht jaar. We durfden het niet echt te geloven dat ze werkelijk zouden gaan. Net zo min als zij durfden te geloven dat wij echt zouden komen om de boerderij van hen over te nemen. Annie en Tanja proberen samen een weerbarstige slaapzak in een zakje te proppen. Tess telefoneert af en aan met Michael, die dit weekend nog buskt in Salamanca, om hem de laatste instructies te geven voor de aankoop van kampeermateriaal bij Decathlon aldaar. John heeft net een stapeltje stafkaarten gekopieerd en Paul verdeelt zijn mondvoorraad voor zeven dagen in zeven plastic zakken. Iedereen gaat s`avonds blijkbaar zijn eigen eten koken, iedereen neemt een eigen vuurtje en eigen pannetjes mee. Dieter en Michael die zondag pas terug komen van hun Buskingtocht, moeten maandag voor vertrek nog hun eten kopen. Annette die niet mee op trektocht gaat, omdat ze niet op de grond wil slapen, zal elke avond met de auto de klaargemaakte zakken met proviand naar hun kampeerplaats brengen, waar dat ook zal zijn. De groep gaat anders op tocht dan wij dat doen, niet lopend naast hun dieren. Zij gaan hun paarden en ezels berijden en nemen daar en boven niet meer dan acht kilo bagage op hun dieren mee, inclusief tent(je), kampeerspullen en kleding. Het hele weekend wordt er bagage gewikt en gewogen, de dieren worden in staat van paraatheid gebracht, hun hoeven worden bijgewerkt en de zadels worden ingevet. Geamuseerd kijken we naar de opgewekte bedrijvigheid, het is net een klas kinderen die op schoolreis gaat. De twee flessen whisky die bestemd was voor de avonden bij het kampvuur heeft de opwinding van de voorbereidingen niet overleefd, de flessen zijn al leeg.
We laten de vakantiegangers rustig begaan en gaan wandelen door het dorp. We babbelen over de voor ons liggende taak, het verzorgen van de dieren die achterblijven. Lucillo ligt vredig in de niet al te hete zon aan de voet van Mount Teleno. Haar inwoners begroeten ons, ze kennen ons ondertussen al. Ze weten dat we het Spaans nog niet beheersen, maar dat weerhoudt hen er niet van een uitvoerig gesprek met ons aan te knopen. We genieten van deze lachende mensen, en zijn op onze beurt kinderlijk verrukt over het dorpsleven hier. Alles is nog zo authentiek, al laat ook hier de vooruitgang zich niet tegen houden.
Terwijl de groep zich het hele weekend voorbereidt op de komende week, zorgen wij dat we alle instructies krijgen voor de verzorging van de ons toevertrouwde dieren. Het hoeden van de schapen nemen we meteen voor onze rekening. Er zijn twee Lammeren bij gekomen en er zijn er nog drie op komst. We moeten opletten, voor we de kudde uit de stal halen moeten we er ons van vergewissen dat er niet al een kleintje ergens in het stro ligt, de moeder zou naar buiten lopen zonder dat het kleine ding kan volgen. Moeder en kind moeten we dan apart zetten, na een paar dagen kunnen ze mee naar buiten.
Drie van de zes honden blijven ook bij ons achter. Sally, Maggy en Smoky, de honden van Annie, John en Tess, ze moeten bij de schapen blijven, dat is nu eenmaal hun werk. Alhoewel! Sally is loops! We kunnen haar niet mee uit nemen met de schapen, ze zou er vandoor gaan op zoek naar een cavalier en ons met de schapen laten zitten. Meegaan op trektocht, kan ze ook niet, want dan wordt de groep voortdurend belaagd door loslopende honden van het mannelijk geslacht en dat zijn er hier velen. Ook moeten we er voor zorgen dat Sally nooit alleen is met Smoky haar zoon, dat zal de nodige oplettendheid en improvisatie van ons vragen. Zolang Smoky nog niet knettergek van verlangen wordt, kunnen we de honden nog samen uitlaten, maar daarna moet ook dat apart gebeuren. Tammy, Stryder en Misty de honden van Dieter, Paul en Michael mogen mee op tocht, die gaan ook altijd met hun baasjes mee naar de steden om op straat werken.
De dieren die naar alle waarschijnlijkheid ook achter zullen blijven, zijn de vlooien. Ik zit alweer vol beten en die jeuken hardnekkig hard en lang. Ik probeer er achter te komen waar ik me die beesten iedere keer op de hals haal, op de honden geen een. Ik ben bang dat ze in onze caravan zitten en in het Hotel, tussen de kieren van de houten vloer en wie weet waar nog meer. Raar dat ik de enige in het gezelschap ben die allergisch op hun beten reageer.
Op zondagochtend, de dag voor vertrek maakt iedereen tijd om naar de maandelijkse vlooienmarkt te gaan een dik half uur rijden van Lucillo vandaan. Het is dé plaats om kleren voor slechts een euro te kopen en bij te praten met de oorspronkelijke bewoners van het Hippiedorp Matavanero.
Met de maandag breekt ook de dag van de uittocht aan, om twee uur zou die moeten plaatsvinden, wij zijn dan ook paraat om uit te zwaaien. Zoals altijd nemen de laatste beslommeringen toch meer tijd in beslag dan gedacht. Het vastmaken van de bagage aan de zadels van de paarden en ezels is een vak apart waar de meesten nog geen kaas van gegeten hebben. Wij hebben al een jaar ervaring, onze rol van toeschouwer wordt dan ook snel die van vastsjouwer. Uiteindelijk om half zeven `s avonds zit elke ruiter in het zadel. Iedereen glundert van genoegen, iedereen heeft hoge verwachtingen, dit moet de tocht van hun leven worden. Gelukkig wordt het pas laat donker en is het geplande traject voor de eerste dag maar drie kilometer lang, om er in te komen zo gezegd. Mensen en dieren moeten in deze samenstelling nog wennen aan elkaar. Van ons uitzwaaien komt niets, want Stryder de hond van Paul is er niet bij als de stoet in beweging komt, hij moet toch echt mee. Na tien minuten vinden we hem,Luc brengt hem op de brommer na. Zodra Stryder de karavaan in de verte ziet, springt hij uit Luc`s armen en rent hij er achter aan of zijn leven er van af hangt.
Wij staan even stil, slaken een diepe zucht en moeten even wennen aan de leegte om ons heen. De wei en de stallen liggen er nu bij als een attractiepark na sluitingstijd.
We zorgen dat de schapen, de ezels , de kippen en de vissen hun avondeten krijgen en ploffen dan in het Hotel in een stoel, met de honden aan onze voeten. We maken een plan de campagne voor de komende week en staren dan verzaligd op een groot scherm naar een domme film.
Op de eerste dag van ons boeren bestaan krijgen alle dieren alleen de hoogst noodzakelijke aandacht, voer en water, daar moeten ze het mee doen. De rest gaat naar de vlooien, ik ben hun beten zat en gruwel van alle plaatsen waar ik vermoed dat ze zich schuilhouden. Met grove middelen gaan we hen te lijf, als eerste in onze caravan. Een hele spuitbus gif spuiten we er in leeg, onder het bed, in de kasten, tussen de kussens van de bank , om de beurt rennen we naar buiten voor een hap frisse lucht. Het Hotel is groter en moeilijker, eerst moet alles worden uitgeveegd en schoon gezogen voor we gewapend met drie bussen de hele ruimte kunnen onderspuiten. Vervolgens laten we de vlooien uren koken in dit sop en nemen we de honden mee voor een lange wandeling. Als daarna alles weer is gelucht en ingericht is de dag ver om. We zijn kapot en half gevloerd, maar alle dieren moeten nog gevoerd.
De rest van de week gaat wel alle aandacht naar de boerderijdieren. Ik begin iedere dag met het openen van het kippenhok, als ik dat de vorige avond niet vergeten ben te sluiten. De ene keer dat ik dat inderdaad vergeten ben durf ik de volgende ochtend niet te gaan kijken, uit angst de doodssporen van een vos te zullen zien. Raoul, de andere schapenboer hier in Lucillo heeft op een ochtend vijf schapen in zijn wei gevonden, door wolven dood gebeten . Onze schapen zijn er gelukkig nog allemaal, veilig in hun stal, zij mogen ook zij naar buiten. Ik trek met hen de vlakten in zodat ze kunnen grazen op de gemeenschappelijke gronden die door alle bewoners van Lucillo gebruikt mogen worden. Iedere dag gaat er een van de twee jonge honden mee. Die zijn in de afgelopen weken met sprongen vooruit gegaan, op een enkele jeugdige misstap na gedragen ze zich voorbeeldig. Smoky krijgt alleen nog maar de muilband om als de schapen op het laatste stuk van de terugweg beginnen te rennen, naar de schapenbrokken in hun stal. Dan is de verleiding voor hem te groot om hen niet op de hielen na te jagen en een hap te nemen uit hun staart. Maggy doet het heel goed bij de schapen, maar zodra ze mensen ziet, gaat ze blaffend als een wilde te keer. Vooral de oude besjes van het dorp die leunend en steunend op hun stok, de bergpaadjes bewandelen omdat het van de dokter moet, jaagt ze de stuipen op het lijf. Ooit zal een van die oudjes nog een hartaanval krijgen, ben ik bang. Maggy weet heel goed dat ze dan voor straf de verschrikkelijke muilband om krijgt, maar ze kan zich niet bedwingen, het is sterker dan haar zelf. Hoe ik me ook verontschuldig bij de oudjes, ze zijn altijd heel erg boos. Soms denk ik : “Mens neem dan toch ook een andere paadje, als je ons ziet lopen” Maar ja, zoiets zeg je natuurlijk niet als gast.
De schapen die doen minder moeilijk, de meeste dagen toch. Vaak lopen ze mak achter me aan naar de een of andere groene plek en blijven daar dan uren grazen. Ik kan daar al eens wat versleten paardentuig repareren of de stuk geschuurde hondenmuilband van een nieuwe band voorzien. Maar op sommige dagen vinden de schapen nergens rust, dan jagen ze het een of andere grasspook achter na. Kilometers laten ze me dan lopen, ook op plaatsen waar tussen de jonge bomen en het dichte struikgewas, haast geen doorkomen is. Voor de honden hebben ze dan geen oog of oor, het lukt me op zulke dagen dan ook niet, om ze te krijgen, waar ik ze hebben wil. De volgende dag staan ze dan weer ergens rustig, uren op eenzelfde plek, tevreden met elk sprietje gras te zijn. Soms vraag ik af wat er toch om gaat in die gehoornde keiharde hoofden.
Terwijl ik bij de schapen ben, zorgt Luc de ezels, hij geeft ze hooi en maakt hij hun stallen schoon. Als hij daarmee klaar is komt hij naar de schapen om me af te lossen. Dan ga ik naar de ezels, om me over Holly te ontfermen. Holly is een heel oud ezeltje, een pittig omaatje, waar zelfs de dominante Choco met een grote boog omheen loopt. Als er een ezel is die niet met zich laat sollen is het Holly wel. Naar mensen en vooral kinderen toe is ze een en al omzichtigheid, zolang je maar van haar lange oren blijft. Waarschijnlijk heeft iemand haar daar aan in een ver verleden lelijk pijn gedaan. Ze weet nu dat ik haar geen kwaad doe en vertrouwt zich helemaal aan mij toe. Dat is wel nodig want Holly heeft, zoals ieder jaar op het einde van de zomer, enkele hardnekkige wonden op haar borst en op haar benen. Twee uur ben ik iedere dag wel bezig, om ze schoon te maken en te bedekken met een nieuwe laag groene klei. Dan bedenk allerlei manieren om de wonden te verbinden, zodat ze die rollend in het zand niet weer open schuurt. Uiteindelijk weet ik haar zo in te pakken dat de wonden de kans krijgen om te genezen en ze er weer een jaartje tegen kan.
Holly raakt haar wonden kwijt, maar ik de vlooienbeten niet. De caravan spuiten we een tweede keer en nog een derde keer en toch blijven we iedere dag opnieuw,een of twee vlooien in onze slaapzak vinden. Aan het Hotel beginnen we niet meer, die klus is veel te groot. Ik pak me steeds maar heel goed in met mijn sokken over de pijpen van mijn lange broek en truien met lange mouwen, strak dicht gebonden om mijn polsen. Het raadsel van de herkomst van de vlooien lost zich op als we op een warme zomeravond in korte broek de schaapstal binnen gaan om de kudde te voeren. In minder dan twee seconden tijd, zien onze blote benen zwart van de vlooien. Vol afkeer vlucht ik uit de stal, van hier nemen wij dus steeds verstekelingen mee naar het Hotel en onze caravan. Voor onze deur trekken we al onze kleren uit, de dorpelingen die voorbij lopen kijken heel raar op, maar hoe leggen we in uit waar we mee bezig zijn? Hoe heten vlooien in het Spaans? Een dag later zien we overal in het dorp, waar mensen een of twee schapen hebben, de mannen met tanks vol gif hun stallen bespuiten, onze schapen zijn dus niet alleen de klos, er is sprake van een echte vlooienplaag. Dit is een zeer ernstige situatie, van zoveel vlooien kunnen de schapen bloedarmoede krijgen en jonge lammeren kunnen daar aan overlijden. We mogen van geluk spreken dat we het hebben ontdekt. Op dit moment kunnen we er echter niets aan doen, de potstal moet volgens ons helemaal worden leeggehaald, want de vlooien zitten overal, niet alleen op de schapen. Luc overweegt om er aan te beginnen, maar dat is een klus van meerdere dagen voor meerdere personen. We zeggen niets over de vlooien tegen Annette, zodat zij het niet aan de anderen kan vertellen als ze hun `s avonds het eten brengt. Ze kunnen nu toch niets doen, het zou alleen maar een domper op hun vakantie zetten.
We horen via Annette alleen maar goede berichten over de ervaringen van de groep, ze genieten enorm van hun trektocht . Michael, die op een avond met Annette mee terug komt om hooi te halen voor de paarden, vertrouwt Luc toe, dat dit de mooiste dagen van zijn leven hier in Spanje zijn. Ook de anderen zijn helemaal in de wolken op dit prachtig stukje aarde, met de dieren en met elkaar.
Wij zijn ontzettend blij voor hen en zetten alle muizenissen over de vlooien uit ons hoofd. We genieten van ons werk en de prachtige zomerdagen, van de wandelingen door het dorp en van de mensen die ons bemoedigend met raad en daad bij staan nu ze weten dat we hier alleen zijn. Ook van de rustige avonden op het einde van de dag genieten we, als de ezels en de schapen zijn gevoederd en de kippen achter de gesloten deur op stok zijn gegaan , dan ploffen wij gezellig met z`n tweeën en de honden op de bank en kijken naar een van de vele films die hier op de planken staan. Vlak voor het slapen gaan maken we nog een laatste rondje met de honden, buiten het dorp is het dan pik donker als de maan op een laag pitje staat. In het dorp branden enkele straatlantarens, onder een er van zit elke avond dezelfde dikke reuzen pad ons met grote ogen aan te staren. We hebben geen idee waar ze vandaan komt, ze is ergens naar op weg, want `s ochtends is ze er niet meer. Gelukkig zijn de honden niet geïnteresseerd in haar, voor hen tellen alleen de schapen, een ree of een konijn kan ook nog wel, maar een pad, dat loopt niet hard genoeg. Sally en Maggy brengen we voor de nacht naar het huis van Annie, Smoky gaat met ons mee naar de caravan, want hij was nog nooit alleen. Ik hou niet zo van een hond bij mijn bed, maar Ik kon het hart van Tess niet breken. Smoky achterlaten was al zo moeilijk, laat staan dat hij s`nachts alleen zou moeten zijn. Aan Smook hebben we echter de hele nacht geen kind, het is net of hij moeite doet om vooral niet in de weg te liggen. `s ochtends wacht hij zo stil als een muis tot we wakker worden en ook dan staat hij er nog steeds niet om te springen om naar buiten te mogen gaan. Smoky is een echte gentleman.
Minder gemakkelijk hebben we het met Annette, ze heeft een slecht karakter, dat weet ze van zichzelf . Ze leeft dan ook met menigeen op grote voet van oorlog. Mijn karakter is ook niet echt om over naar huis te schrijven, maar het hare maakt een mens horendol. Normaal kan ze de kreng in zich zelf goed onder controle te houden, als ze zich omringd en gesteund voelt door de groep. Maar nu is ze hier alleen, want wij tellen niet mee, van ons moet ze weinig hebben omdat de anderen zo blij met ons zijn. We hebben dagelijks wel een paar keer met haar van doen, ze woont maar dertig meter van onze caravan in eentje van haar zelf, met een aangebouwde veranda aan de voorkant en een luxe badkamer aan de achterkant. Altijd jent ze ons of wringt ze tegen als we iets van haar nodig hebben. Halverwege de week hebben we haast niets anders in ons hoofd dan Annette, ze beheerst ons hele denken. We gaan haar uit de weg en nemen haar telefoontjes niet meer aan omdat ze altijd sneert. Ze speelt het klaar om het aller slechtste in ons op te roepen en zo willen we helemaal niet zijn. Haar kunnen we echter niet veranderen, ons zelf daar en tegen wel. We leren haar gedrag te negeren, ontnemen haar het genoegen van de negatieve aandacht en blijven de vriendelijkheid zelve, al is het met de tanden op elkaar. We vertellen ook later aan niemand hoe moeilijk het was met haar, want dat wil ze juist zo graag. Op het eind van de week blijkt ze de strijd te hebben opgegeven, we zien haar in twee dagen niet. Ik wordt een beetje ongerust en bedenk dat ze wel ziek zou kunnen zijn. Ik raap alle zorgzaamheid waarmee ik van nature ook niet zo royaal bedeeld ben bij elkaar en ga voorzichtig op mijn hoede bij haar langs. “Annette, ik kom eens kijken hoe het met je gaat, ben je helemaal alright ”? Annette is blij verrast dat ze me ziet en in alle vriendelijkheid vertrouwt ze me toe dat het al wat beter met haar gaat. Ze zegt heel erg blij te zijn, dat ik naar haar welzijn vraag, als alleen de Engelsen dat zo heel beleefd kunnen doen. En daarmee is de kous van alle pesterij en kattigheid nu af, Annette is de rest van de week een en al beminnelijke vriendelijkheid. Het is moeilijk te beschrijven welke les we hieruit leerden. Niemand van ons is volmaakt, leert Tess ons later als het om de Portugese Johsi gaat, die op zijn manier nog veel moeilijker is dan Annette, we hebben allemaal onze fouten. Maar een mens is niet alleen zijn fouten, iedereen verdient kans op kans op kans en dat knoop ik een beetje beschaamd in mijn oren.
De groep is ondertussen in Santa Colombo aangekomen, op de zelfde camping waar wij in juli ook een nacht hebben door gebracht. We worden uitgenodigd om daar bij hen te komen eten. We genieten niet alleen van de lekkere maaltijd die er wordt geserveerd, het is ook fijn om de groep weer te zien. Iedereen is nog altijd even uitgelaten, het geluk straalt van hen af, ze genieten enorm van hun avontuurlijke tocht. Ze trekken overdag vooral samen en `s avonds ook ieder voor zich alleen. Iedereen draagt de verantwoordelijkheid voor zijn eigen doen en laten en ieder zorgt ook voor zijn eigen dieren. De paarden en de ezels staan elk aan een lang touw bij een tentje of bij enkel een zijl waar onder wordt geslapen. S`nachts staat iedereen zelf een keertje op, om te controleren of alles met zijn rijdier in orde is. Tess die wat minder slaap nodig heeft dan de anderen maakt wel eens een extra rondje langs alle dieren. Annie leidt me langs alle kampeerplekjes waar de dieren rustig staan te grazen of languit liggen uit te rusten in het gras. Ook zij genieten van deze tocht, de band tussen dier en zijn baasje wordt deze week sterk aangehaald.
Niet al te laat gaan we terug naar Lucillo , de honden moeten nog uitgelaten worden voor de nacht. De wilde katten die van iedereen in dit dorp zijn, stuiven alle kanten op als ze ons zien komen. We kennen hen allemaal, want s`ochtends en s`avonds verzamelen ze zich met z`n allen bij de ezelstallen. Ze weten dat ze brokjes krijgen zodra de ezels zijn gevoerd. We moeten de brokjes op de dakpannen van een aangrenzend schuurtje leggen, zodat de ezels er niet bij kunnen, want die lusten raar maar waar, ook graag kattenbrokjes. Het hele dorp zorgt een beetje voor alle katten, de een wat meer dan de ander,want van oudsher werd dat gedaan om in tijden van nood toch vlees te hebben. Echt dichtbij de dieren kunnen we niet komen, daarvoor zijn ze veel te schuw. Dat is jammer want een nog heel jong spierwit katje heeft twee hevig ontstoken oogjes. Het moet erg veel pijn hebben, maar ik kan het helaas niet helpen. Een week later vinden we het katje kruipend door de ezelwei, kronkelend en jammerend van de pijn. Het is duidelijk dat dit beestje uit haar lijden moet worden verlost, maar niemand durft het dood te maken. Luc kan het beestje zo niet zien lijden en neemt die rottaak op zich, ik hou mijn oren en mijn ogen stok stijf dicht.
In de straten van het dorp verzamelen zich ondertussen duizenden zwaluwen, ze maken zich klaar om massaal naar het zuiden te trekken, de ooievaars achterna. Ze maken een kabaal van jewelste en bedrijvig vliegen ze nog een laatste keer onder de dakgoten alle nesten in en uit, alsof ze willen controleren of ze niets vergeten zijn. De honden weten niet wat er boven hun hoofden gebeurt ze worden er helemaal opgewonden van, met moeite krijgen we ze mee naar huis.
Vrijdag komen Frank en Erik de broers van Luc en Jan de vriend van een nicht van Luc een weekje op bezoek, we kijken er al een tijd naar uit. We hebben voor hen een vakantiehuisje gehuurd in het dorp. Het is best groot en het is gezellig ouderwets ingericht. We zorgen voor wat mondvoorraad en voor alles wat er nodig is, want de Spanjaarden nemen het niet zo heel erg nauw. We hebben een paar dagen met elkaar voor de groep weer terug komt. Bij het verzorgen van de dieren hebben we nu hulp, al ziet Erik het ruimen van al die ezelmest niet zitten, die mest is onze keuze zegt hij terecht en niet de zijne. Iedere dag laat Luc de mannen een stuk van de omgeving zien. De stad Astorga en het verlaten dorp Prada, dat niet voor niets verlaten is, want het ligt zo diep geborgen in een vallei dat vooral in de winter de zon daar nooit komt. Dan is er nog het Hippiedorp, altijd wel de moeite van het bezoeken waard. De weg er naar toe is al bijzonder, met de auto kom je er niet, je moet van een berg naar beneden klauteren. En dan is er nog het huisje, achter de vroegere stal van Choco en Hector waar het dak nu van is ingestort. In het huisje is in het jaar twee duizend een oud vrouwtje plotseling gestorven. Alles staat er nog net zo bij als toen op die dag, het is verbijsterend om te zien hoe primitief hier toen nog geleefd werd. Frank en Luc leven zich samen uit op de motors van Dieter en John, de omgeving leent zich daar perfect voor. Ik kan heerlijk mijn eigen gang gaan, de mannen hebben genoeg aan elkaar.
We zijn blij als de groep vakantiegangers op maandag weer terug is. Ze moeten even thuiskomen en afkicken van het zorgeloze bestaan om er daarna weer helemaal te zijn voor de boerderij en het andere werk . Hun droom is levendiger dan ooit, toeristen zullen hier naar toe komen en trektochten maken met de paarden en ezels, de wegen hebben ze deze week al uitgestippeld. Van de foto`s wordt dezelfde avond nog een reportage gemaakt, de vreugde en tevredenheid straalt er van af.
Het weer blijft prachtig, ook de rest van de week. Iedere dag trekt Luc er met Frank en Jan op uit, te ezel, te paard of met de motor. Jan weet heel veel van bomen en van alles wat groen is, bloeit en vruchten draagt. Zijn adviezen met betrekking tot het snoeien van de fruitbomen in de boomgaard en de tuin van Annette zijn heel erg welkom, iedereen hangt aan zijn lippen. De appels die in de boomgaard op de grond liggen worden al verzameld voor de cider van dit jaar.
Erik houdt zich meer bij Tess op, ze bespreken samen een zakenplan voor als “het project” hier van start zal gaan. Ooit komen hier gehandicapten werken op een boerderij die op hun maat gerund zal zijn.
De week is om voordat we er erg in hebben. Op vrijdag brengen we de drie mannen, van wiens aanwezigheid we erg genoten hebben naar de luchthaven van Valadolid en rijden dan zelf door naar Madrid, om op de Nederlandse ambassade aldaar een paspoort voor mij aan te vragen, voor het geval dat we in de winter nog een vliegreis willen maken, naar het een of andere warme oord. Het is al enkele uren donker als wij nog lang niet in Madrid zijn. We brengen de nacht op een parkeerplaats door in onze auto. De stoelen naar achteren geklapt levert dat twee comfortabele bedden op, de ramen op een kier, de dopjes in de oren, de lapjes op de ogen en we slapen als rozen zo gerust in onze warme slaapzak. Voor een koppel dat twee jaar geen salaris heeft gehad is dit Subaru Hotel van een prima kwaliteit.
Het is de volgende ochtend nog vroeg als we op goed geluk Madrid binnen rijden, we hebben nog geen idee waar we tot maandag een onderkomen kunnen vinden, voor zowel ons zelf als de auto. Op goed geluk nemen we de eerste afrit naar het centrum en komen een paar straten verder in een park terecht, voor de deur van een jeugdherberg. Helaas voor deze nacht is er geen kamer vrij, maar morgen wel. Buiten staat een hele rij camper busjes, die blijken van artiesten te zijn die komen oefenen in de grote tent van de circusschool die zich achter de herberg te bevindt. Niemand heeft er bezwaar tegen dat we onze auto aansluiten in de rij en hier vanavond terug komen voor de nacht, met een beetje geluk ziet de politie ook ons door de vingers. Wij begeven ons naar het dichtstbijzijnde Metrostation waar we ons door verschillende mensen moeten laten helpen om wegwijs te geraken in dit doolhof van automaten en kaartjes. Zodra mijn kwartje is gevallen, en bij Luc zijn frank, is het verder kinderspel. Voorzichtig dompelen we ons onder in de drukte van de stad, de straatartiesten vertonen er met bosjes hun kunsten en in een grote markthal worden de lekkerste hapjes verkocht, we delen samen een brood kaviaar.
De terrasjes in de straten en op de pleinen zitten vol met weekendgasten. Verbaasd kijk ik naar de waternevel die om de paar minuten vanonder parasols en luifels naar beneden komt, om de gasten te verkoelen. Vooral in de hete zomermaanden moet dat een weldaad zijn. Net zoals het bij ons zalig is om in de herfst of in de lente onder een straalkacheltje te zitten.
Het is al middernacht voorbij als we weer bij onze auto komen, die weer prima als hotelkamer fungeert, we drinken zelfs nog een glaasje wijn terwijl we kijken naar de sterren boven de bomen in het park. Als we op zondag wakker worden is het een drukte van belang, de Madrilenen zijn in grote getallen uitgerukt om te joggen en te fietsen. Ik ga even in de jeugdherberg kijken, maar zie dat de kamers ongezellig zijn, dan blijf ik liever in de auto, gezellig met dat glaasje wijn. We maken ons klaar voor nog een dagje stad. Met behulp van de autospiegels maken ons toilet en dan lopen we er weer netjes bij. Het Prado staat op het programma, we laven ons enkele uren aan schilderkunst uit de zeventiende eeuw, waarbij we ons duidelijk meer aangetrokken voelen tot de Vlaamse meesters, dan tot die uit Spanje of Italië. Ik ga meteen op zoek naar het enige schilderij van Rembrandt dat het Prado rijk is, het portret van een jong meisje, het is heel mooi, mede door de manier waarop het licht geschilderd is, heb ik geleerd. Ook Jeroen Bosch ,de Van Eyks, de Breugels en Rubens geven ons een cultureel bad waaruit we ons als herboren voelen opstaan. Kunst kan me best wel diep raken, het is vreemd dat ik het zo zelden opzoek. De kunst op straat en in het grote park is van een heel andere kaliber, dat is pure volksvermaak die als het even kan heel wat munten op moeten leveren voor de kunstenaar. Als we blijven staan om naar een van de fratsenmakers te kijken wil Luc geen spelbederver zijn als deze hem uit het publiek plukt om hem te assisteren. Het moet gezegd, hij doet het met stijl en speelt het hele spel onbevangen mee. Ook als hij een roos in zijn mond moet houden die de kunstenaar er met een zweep uit wil slaan, blijft hij moedig staan. Na een welverdiend applaus kunnen we weer verder gaan. Wandelend door de straten van Madrid zien we het toeristisch kaarsje stilletjes uitgaan. Negentig procent van alle mensen verlaat geleidelijk aan de stad. De kunstenaars pakken hun boeltjes bijeen, de terrasjes lopen leeg. De weinige obers die nog buiten staan, zuchten opgelucht, de vriendelijke glimlach mag eindelijk wegvloeien van hun gezicht. Wij dolen nog wat door de verlaten straten, tot we ergens binnen neerstrijken voor een maaltijd, want buiten is het al te koud. Het laatste glaasje wijn drinken we in de auto, weer kijkend naar de schitterende sterren boven de bomen van het park.
Op maandag zijn we heel vroeg wakker, Terwijl het personeel van de jeugdherberg naar binnen druppelt, was ik mijn haren bij het kraantje in het park. Het verbaasd me niet dat het heel natuurlijk aanvoelt, het is goed leven in de buitenlucht. Een beetje sta ik wel te kijk, maar ook dat went, zeker op een maandag ochtend als toch al niemand belangstelling heeft voor wat er om hem heen gebeurt. De Nederlandse ambassade ligt aan het andere einde van de stad richting het Sofia kinderziekenhuis. Bij de juiste halte nemen we de verkeerde uitgang waardoor we nog een kilometer moeten lopen naar drie enorme zilveren torens toe, met elk tientallen verdiepingen, in de middelste moeten we zijn. Eerst even scannen bij de bewaking en dan mijn zakmes dat argeloos in mijn broekzak zit buiten onder de deurmat leggen, anders mag ik er niet in. Dan moeten we ons melden aan een balie, bij de Nederlandse ambassade mevrouw. Die geeft ons een pasje dat ons toegang geeft tot een lift geheel zonder knoppen, in het pasje staat geprogrammeerd waar we uit mogen stappen ergens heel hoog in de lucht. Een Spaanse bewaker doet de deur van de Nederlandse ambassade , voor ons open en gaat dan weer terug naar zijn computerspel. Omdat ik een Spaans Sofienummer heb, kan ik hier een paspoort aanvragen zonder het oude in te hoeven leveren, dat ben ik immers kwijt. Als ik de nodige formulieren heb ingevuld in een glazen kamer met een schitterend uitzicht over Madrid mag ik naar de Britse Ambassade, om daar een pasfoto te laten maken. Eerst helemaal naar beneden om mijn liftpasje voor de Nederlandse ambassade in te leveren bij de Nederlandse Ambassade mevrouw en een nieuw pasje te vragen aan de Britse ambassade mevrouw die naast de Nederlandse ambassade mevrouw aan de balie staat. Op de Britse Ambassade gaat het er heel anders toe. Twee bewakers staan op scherp, met geheven borst en handen op de rug. Onze bagage wordt gescand en mag niet mee naar binnen, het moet in een locker worden gezet. Omdat de lockers te klein zijn blijft Luc bij de bagage in de hal onder het toezicht van de bewakers en ga op zoek naar de fotograaf. Ik blijk mijn foto`s zelf te moeten maken in een cabine zoals die bij ons het station. De nodige munten heb ik natuurlijk niet bij me en het duurt even voor al het Britse ambassadepersoneel het nodige kleingeld heeft verzameld om mijn tien euro biljet te kunnen wisselen. De gebruiksaanwijzing in de cabine staat er alleen in het Spaans, ik begrijp er zoveel van dat ik zelf verantwoordelijk ben voor de kwaliteit van de foto en de vereiste positie van mijn gezicht. Ik kan proefopnames maken, die mislukken keer op keer. Als na de achtste poging, een stem in de automaat zegt dat het nu wel welletjes is en dit de laatste kans is, ben ik een zenuwinzinking nabij. De Britten hebbe immers hun laatste munten aan mij gegeven. Op het eindresultaat kijk ik dan ook een beetje benauwd en hangen mijn pasgewassen haren wat zweterig langs mijn gezicht. We gaan weer naar beneden, wisselen het Britse liftpasje weer voor een Nederlands liftpasje en gaan dan weer naar boven. De Nederlandse ambassademan doet gelukkig niet moeilijk, de foto wordt geaccepteerd. Over twee weken mag ik het nieuwe paspoort met de post in lucillo verwachten. We hebben voor deze keer,genoeg van Madrid gezien en reizen weer terug naar Lucillo, naar onze jongens, het weekendje uit heeft ons goed gedaan. In Lucillo zijn ondertussen alle appels geplukt, met man en macht zijn we de volgende dagen in de weer met wassen, snijden, kneuzen, persen en bottelen, twintig liter in een fles, de vlooien kunnen blijkbaar even wachten. Op het einde van de week staan er twee honderd zeven en tachtig liter appelsap te gisten, met kerstmis zal dat cider zijn. Voor de ezels is het een feestweek, ik strooi iedere dag bakken vol appelpulp in de verschillende weien tot ook de pulp begint te gisten. Het is heerlijk om op het einde van iedere dag, alle tien de ezels van de weilanden die even buiten het dorp liggen te halen en terug naar hun stallen te brengen. Meestal doen Luc en ik dat met z`n tweeën, we lopen dan een paar keer op en neer. Lopend door de met gras begroeide straatjes en paadjes kijken we dan op het vredige dorp neer, soms zien we in de verte Raoul terug komen met zijn twee duizend schapen, dat is een machtig gezicht. Minder fraai vind ik het zwerfvuil waar zelfs dit dorp niet van verstoken is. Ik raap het allemaal op, in de hoop dat de dorpelingen mij geen bemoeial vinden. Het zijn veelal overblijfselen van plastik zakken die door de wind zijn voort gewaaid en heel veel plastic strengen van balen hooi en stro, die Maximino rond laat slingeren. Maximino is een man van in de zeventig, hij heeft een vriend van bijna tachtig. De mensen in het dorp hebben gemengde gevoelens over hem, hij was dertig jaar in Argentinie en is het dorp een beetje ontvreemd. Hij hoedt vijf schapen van zich zelf en nog drie van iemand anders. Hij is een harde werker en doet alles zelf, voor vijftig euro per maand koopt hij al de rest. Meermalen per dag komen we hem tegen in zijn moestuin, zijn konijnen voerend of ergens in een weitje met zijn schapen, die als het heel erg heet is tegen hem aan liggen in de schaduw. Heel zachtjes lopen we hen dan voorbij om het gezelschap niet te wekken. Hij heeft altijd een vriendelijk woord voor ons, of een appeltje dat klein en verschrompeld nog overheerlijk is van smaak. Hij weet ons altijd te vertellen welk weer we morgen mogen verwachten en lacht zijn weinige tanden bloot. “ Hasta loego “ roept hij dan en loopt verder met de zeis over zijn schouder, want al het hooi voor zijn schapen snijdt hij persoonlijk met de hand.
Het verlangen, om hier later als we niet meer hoeven te werken, een tijd lang deel uit te gaan maken van het dorpsleven is er al een tijd en het wordt steeds groter. Op een dag vragen we Tess, om voor ons uit te kijken naar een stukje land dat we kunnen kopen. De volgende dag al heeft de groep besloten ons een perceeltje van het hunne af te staan voor de zelfde prijs als ze er zelf voor gaan betalen aan een oud vrouwtje in het dorp. We gaan meteen kijken welk stuk ze bedoelen, het ligt noordelijk iets hoger dan het dorp en het kijkt op naar Mount Teleno wat verder naar het zuiden. We vinden het geweldig en stemmen meteen in. Van dan af lopen we er iedere dag even naar toe om te kijken en te proeven hoe het zal zijn om hier ooit een wat langere tijd te verblijven. Het is hier mooi en rustig en mijlen ver geen omheining of prikkeldraad te zien, in welke richting je ook kijkt alleen maar stenen muurtjes. Alleen rondom een paardenwei van Mister Pomferada, de rijkste man in het dorp, is prikkeldraad gespannen. Hij is niet geliefd omdat hij een foeilelijke schuur heeft laten bouwen, die als een doorn in het oog boven het dorp uitsteekt.
Bij zonsopgang en bij zonsondergang bekijken het stukje land dat pas volgend jaar juni aan ons zal worden doorverkocht,omdat de groep dan pas de officiële papieren er van krijgt. We proberen uit te zoeken hoe we er aan water en elektriciteit kunnen komen. Aansluiten op de waterleiding zou moeten lukken, maar energie zullen we zelf moeten verzamelen, dan gaan we leven van de zon en van de wind. We willen hier een caravan plaatsen, misschien dat we in Januari naar België gaan, om in Nederland caravan te zoeken. Voorlopig doen we nog even helemaal niets, misschien dat we in December wat bomen komen planten, volgens Jan is dat de beste tijd. Hij vertelt ons ook welke bomen hier het best gedijen en welke de meeste schaduw geven, want dat is wel nodig in de hete zomers hier.
Lucillo staat in tegenstelling tot veel buurdorpen erg open voor vreemdelingen, dankzij haar geschiedenis als een van de administratieve en economische middelpunten van heel de Maragata-streek. De vrouwelijke burgemeester wil niets liever dan dat het dorp levendig blijft, zo dat alle voorzieningen die er nu zijn zoals een winkeltje en een apotheek er ook kunnen blijven. De Spanjaarden die in de steden wonen, trekken alleen in de vakantiemaand augustus massaal naar het platte land, naar de woningen van hun voorouders , dan telt ook Lucillo drie keer zo veel inwoners. Overleven zal het dorp echter alleen als er een nieuwe aanwas van mensen komt die er het hele jaar door hun schouders onder willen zetten en dat doen alleen nog de vreemdelingen. De Engelsen hebben duidelijk laten zien dat ze hard werken, ook om de authenticiteit van het dorp te beschermen, ze worden daar erg om gewaardeerd. Voor ons zijn de mensen ook niet bang, ze zien dat we uit hetzelfde hout zijn gesneden. We zullen wel werk moeten gaan maken van de Spaanse taal, maar vooralsnog breken we daar ons hoofd nog niet over. We genieten nog dagen lang, ook van de trektochten met de paarden en de ezels op zondag en het aansluitend samen uit eten gaan in een dorpje hier vijf kilometer vandaan, waar Signora Maria de heerlijkste gerechten voor ons op tafel zet.
Voor we weer richting Portugal vertrekken waar we de Via Algarviana met de jongens willen gaan lopen, rijden we nog twee dagen naar het noordelijk gelegen Asturias op en neer, voor een bezoek aan Marleen en de ezels van het Ezelparadijs. Het is een hartelijk weerzien, al missen we de ezelmerrie Juliette meteen , die is net de zondag voor onze komst van ouderdom gestorven. De Paarden en Gaspacho het muildier lijken me nog te kennen, of verbeeld ik me dat maar? Er zijn ezels ter adoptie gegeven en er zijn enkele nieuwe ezels bij gekomen die niemand hadden om voor hen te zorgen. Ook Lucky Luc een bruin muildier is een nieuweling, hij was los gelaten in de bergen en kwam hier broodmager aan,hij staat nu buiten voor de deur van de Cabana rustig in zijn eentje te grazen. We leven een dag met Marleen en de dieren mee, samen met vrijwilligers uit Engeland, Ierland en Nederland. s`Avonds is er een feestje, omdat de potstallen zijn leeggehaald, een klus van dagen hard werken voor iedereen, Marleen serveert bergen ijs als dessert . Ook bezoeken we Astrid en Thomas die in het verlengde van de Picos de Europa nog steeds hard werken aan hun camping “Fontebona”. Ook bij hen is er een vrijwilligster uit Engeland aan het werk en een stagiair van de Wageningse Hogeschool. We verblijven er een nacht in onze tent op een van de aangelegde terrassen op de heuvelrug. Rondom het kampvuur praten we bij, over het maken van Cider en het wonen in Spanje en we luisteren naar de stilte van het bos en de geluiden die Lola en Agnes maken, de twee jongste ezeltjes van Marleen die een thuis op de camping hebben gevonden. Ze zullen te zijner tijd de bagage van de gasten naar boven sjouwen en het gras tussen de kampeerplaatsen kort houden.
Op de dag van ons vertrek naar Portugal beginnen de mannen van de groep eindelijk aan het leeghalen van de schapenstal. Eerst dacht men dat het wel mee zou vallen met de vlooien, tot dat Michael, de schapenman himself van top tot teen zo onder de beten zat dat hij Antihistaminica moest slikken. Het inspuiten van de schapen alleen, heeft geen zoden aan de dijk gezet. De stal moet helemaal worden leeggehaald. Anderhalve meter stro en mest moet er worden uitgeschept, een klusje van een dag of drie voor een man of vier. Het einde van de vlooien is in zicht!!! Michael en Paul hebben hun imkerpak aangetrokken, om zich te beschermen. Ik zwaai naar hen van ver, ik heb geen behoefte aan passagiers op onze reis naar Portugal.

Veel liefs van ons vieren

Helene

Foto's bij reisverslag

Vorige
Volgende
Verzend als wenskaart  Verzend als wenskaart

John en Spirit
John en Spirit
Tanja en Forest
Tanja en Forest
Tammy is klaar voor de tocht
Tammy is klaar voor de tocht
Dieter en Flint
Dieter en Flint
Paul en Concer
Paul en Concer
Tess op Apache
Tess op Apache
Annie en Budy
Annie en Budy
Michael en Bonny
Michael en Bonny
Ze zijn weg!
Ze zijn weg!
Holly
Holly
Luc en dek schapen
Luc en dek schapen
de drie broers met de schapen
de drie broers met de schapen
Jan met Flint en Forest
Jan met Flint en Forest
Het vakantiehuis
Het vakantiehuis
Het hippie dorp van ver en diep
Het hippie dorp van ver en diep
De hippies van dichterbij
De hippies van dichterbij
Mevrouw de Pad
Mevrouw de Pad
Bij het appels kneuzen
Bij het appels kneuzen
John en Annie
John en Annie
Eindelijk een mooie foto van mezelf
Eindelijk een mooie foto van mezelf
Met HalloBuitenland.nl kun je Helene in Spanje echt goedkoop bellen!

Reageer op dit reisverslag

Een verre reis maken?

Stel je verre reis op maat samen bij KILROY travels. Dé reisspecialist voor jongeren, studenten en backpackers.

Plan je verre reis met KILROY

Reacties op bovenstaand reisverslag

Marian Muyres

Nog altijd leuk om jullie verhaal te lezen. Jullie zijn natuurlijk helemaal van het werkzaam leven binnen de muren van het ziekenhuis vervreemd.
Al die regelgeving en het van 8-16.30( en langer) op je werk zijn. Nu leven van uur tot uur met wat er op je pad komt.
Geniet ervan en tot ziens ( waar/wanneer?)
liefs

Ronny Motké

Hallo Helene en Luc,

Wat heerlijk om weer iets van jullie te horen. Je verslagen zijn echt fijn om te lezen. Ik wens jullie nog een fijne verdere reis en voor alle vier een goede gezondheid.
Liefs van Ronny

Profiel


Huidige locatie:
Spanje Spanje, Lucillo

Vandaag:

-2°/12°

Morgen:

-3°/10°

Mijn reisstatus:
Ik ben terug over 63 dagen
Mijn huidige reis:
Op weg met Choco en Hecto ...
(2010)
Mijn bezochte landen:
BelgiëFrankrijkNederlandPortugalSpanje

Fotoboek

Je computer beschikt nog niet over Flash. Download en installeer Flash.
John en Spirit
John en Spirit
Tanja en Forest
Tanja en Forest
Tammy is klaar voor de tocht
Tammy is klaar voor de tocht

Recente reisverslagen

Spanje  17/1 Drie maal is s... (2)
Portugal  21/12/2011 Even tussendoor (15)
Frankrijk  27/9/2011 Bretagne (5)
Spanje  18/7/2011 Lucillo, voor ... (5)
Portugal  4/7/2011 Van Nisa tot F... (2)

Blijf op de hoogte

E-mail
RSS
Widget

Ja, ik wil direct een e-mail ontvangen na elk nieuw reisverslag!

Mijn e-mailadres:

Via je mobieltje op de hoogte blijven van elk nieuw reisverslag? Stuur een sms
START FOLLOWING LUCENHELENE ON
naar 1008.
(€ 0,55 p.o.b. max.1 per dag. Lees de voorwaarden)

Voeg de link toe aan je favoriete RSS reader



Wat is dit?

Voeg de volgende HTML code toe aan je weblog/hyve/enz: Lees verder...

Dit dagboek heeft in totaal 70737 pageviews en is onderdeel van WaarBenJij.Nu